WET van 25 mei 1998, houdende nieuwe regelen ter bescherming van natuur en landschap (Natuurbeschermingswet 1998)

 

     WIJ BEATRIX, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

     Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:
     Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is nieuwe regelen te stellen inzake de bescherming van natuur en landschap en dat het voorts wenselijk is een wettelijke grondslag te geven aan het verlenen van bijdragen ter bevordering en ondersteuning van het beleid inzake natuur en landschap alsmede aan het verlenen van vergoedingen terzake van het op vrijwillige basis richten of mede richten van de bedrijfsvoering van landbouwbedrijven, binnen daartoe aangewezen gebieden, op het beheer van natuur en landschap;
     Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:

 

 

Hoofdstuk I. Inleidende bepalingen

 

Artikel 1

In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:

a. Onze Minister: Onze Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit;

b. natuurmonument: terrein of water, dan wel samenstel van terreinen of wateren, dat van algemeen belang is om zijn natuurwetenschappelijke betekenis of zijn natuurschoon;

c. eigenaar: degene, die in de basisregistratie kadaster als eigenaar staat vermeld, met dien verstande dat indien op een onroerende zaak een eeuwig durend recht van erfpacht of een recht van beklemming rust, daaronder wordt verstaan de erfpachter of de beklemde meier, en dat bij onroerende zaken die aan een niet eeuwig durend recht van erfpacht, een recht van vruchtgebruik of een recht van opstal zijn onderworpen, daaronder mede zijn begrepen degenen, die in de basisregistratie kadaster als erfpachter, vruchtgebruiker of opstalhouder staan vermeld, een en ander voorzover niet de rechtstoestand is gebleken een andere te zijn dan de basisregistratie kadaster aangeeft;

d. gebruiker: degene, die uit hoofde van een andere rechtsverhouding dan onder d genoemd een onroerende zaak in gebruik heeft;

e. landschapsgezicht: samenstel van onbebouwde terreinen of van bebouwde en onbebouwde terreinen dat vanwege zijn structuren, patronen of elementen danwel anderszins vanwege zijn uiterlijke verschijningsvorm, historisch-landschappelijk van algemeen belang is;

f. richtlijn 79/409/EEG: richtlijn 79/409/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 2 april 1979 inzake het behoud van de vogelstand (PbEG L 103);

g. richtlijn 92/43/EEG: richtlijn 92/43/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 21 mei 1992 inzake de instandhouding van de natuurlijke habitats en de wilde flora en fauna (PbEG L 206);

h. prioritaire soort: als prioritair aangeduide soort in bijlage II van de richtlijn 92/43/EEG;

i. prioritaire type natuurlijke habitat: als prioritair type aangeduide natuurlijke habitat in bijlage I van de richtlijn 92/43/EEG;

j. initiatiefnemer: degene die het initiatief neemt tot een plan als bedoeld in artikel 19j of tot een project of andere handeling als bedoeld in artikel 19d, eerste lid;

k. instandhoudingsdoelstelling: doelstelling of doelstellingen als bedoeld in artikel 10a, tweede lid;

l. Natura 2000: Europees ecologische netwerk dat bestaat uit de speciale beschermingszones, bedoeld in de richtlijn 79/409/EEG en richtlijn 92/43/EEG;

m. bestaand gebruik:

1°. iedere handeling die op 1 oktober 2005 werd verricht en sedertdien niet of niet in betekenende mate is gewijzigd.

2°. Iedere handeling die op het moment van aanwijzing van een gebied als beschermd natuurmonument of ter uitvoering van richtlijn 79/409/EEG dan wel op het moment van aanmelding bij de Europese Commissie van een gebied ter uitvoering van artikel 4, eerste lid, van richtlijn 92/43/EEG werd verricht en sedertdien niet of niet in betekenende mate is gewijzigd, voor zover die aanwijzing of aanmelding plaatsvindt na 1 oktober 2005;

n. Natura 2000-gebied:

1°. gebied dat is aangewezen op grond van artikel 10a, eerste lid,

2°. gebied dat voorlopig is aangewezen als bedoeld in artikel 12, derde lid, of

3°. gebied dat voorkomt op de lijst van gebieden van communautair belang, bedoeld in artikel 4, tweede lid, van richtlijn 92/43/EEG.

 

Artikel 2

1.Voorzover niet anders bepaald, wordt onder gedeputeerde staten verstaan gedeputeerde staten van de provincie waarin gebieden als bedoeld in artikel 10a of natuurmonumenten of landschapsgezichten onderscheidenlijk beschermde natuurmonumenten of beschermde landschapsgezichten geheel of grotendeels zijn gelegen.

2.Gedeputeerde staten wijzen landschapsgezichten, die mede zijn gelegen in een andere provincie, niet aan als beschermd landschapsgezicht dan in overeenstemming met gedeputeerde staten van die andere provincies.

3.Gedeputeerde staten beslissen niet over een aanvraag van een vergunning als bedoeld in artikel 16 dan wel stellen een beheerplan als bedoeld in artikel 17 niet vast, dan in overeenstemming met gedeputeerde staten van de andere provincies waarin het beschermd natuurmonument mede is gelegen.

4.Gedeputeerde staten stellen een beheerplan als bedoeld in artikel 19a niet vast dan in overeenstemming met gedeputeerde staten van de andere provincies waarin het op grond van artikel 10a, eerste lid, aangewezen gebied of een gebied dat voorlopig is aangewezen als bedoeld in artikel 12, derde lid, mede is gelegen.

5.Gedeputeerde staten beslissen niet op een aanvraag voor een vergunning als bedoeld in artikel 19d, eerste lid, dan in overeenstemming met gedeputeerde staten van de andere provincies waarin het Natura 2000-gebied mede is gelegen voorzover die vergunning betrekking heeft op delen van het gebied, gelegen in die andere provincies.

 

Artikel 2a

1.Indien een aanvraag van een vergunning als bedoeld in artikel 16, eerste lid, betrekking heeft op een handeling die hoofdzakelijk gevolgen kan hebben voor een deel van een beschermd natuurmonument dat is gelegen binnen de grenzen van één provincie, beslissen gedeputeerde staten van de provincie waarin dat deel van het beschermd natuurmonument is gelegen over de aanvraag.

2.Indien een aanvraag van een vergunning als bedoeld in artikel 19d, eerste lid, betrekking heeft op een project dat of andere handeling die hoofdzakelijk gevolgen kan hebben voor een deel van een Natura 2000-gebied dat is gelegen binnen de grenzen van één provincie, beslissen gedeputeerde staten van de provincie waarin dat deel van het Natura 2000-gebied is gelegen over de aanvraag.

 

Hoofdstuk II. Natuurbeleidsplan

 

Artikel 3

In dit hoofdstuk wordt verstaan onder Onze Ministers: Onze Minister tezamen met Onze Ministers van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer en van Verkeer en Waterstaat voorzover het aangelegenheden betreft die tot hun verantwoordelijkheid behoren.

 

Artikel 4

Onze Ministers stellen ten minste eenmaal in de acht jaar een natuurbeleidsplan vast, dat met het oog op een duurzame instandhouding, herstel en ontwikkeling van de natuurlijke en landschappelijke waarden voor de korte, middellange en lange termijn richting geeft aan van rijkswege te nemen beslissingen.

 

Artikel 5

1.Het natuurbeleidsplan bevat ten minste de hoofdlijnen van het beleid terzake van:

a. de algemene natuur- en landschapswaarden;

b. bescherming van de in het plan aangeduide gebieden en gebiedscategorieën waar sprake is van bijzondere natuur- en landschapswaarden;

c. de in het plan aangegeven soorten dieren en planten waaraan bijzondere aandacht zal worden gegeven;

d. voorlichting en onderzoek op het terrein van natuur en landschap;

e. de internationale ontwikkelingen van het natuurbeleid.

2.Het natuurbeleidsplan bevat een aanduiding van:

a. de wijze waarop en de maatregelen waarmede voor de eerstvolgende periode van acht jaar uitvoering zal worden gegeven aan de hoofdlijnen van het beleid;

b. de redelijkerwijze te verwachten financiële en economische gevolgen van het te voeren beleid.

 

Artikel 6

1. In het plan geven Onze Ministers voorts aan in hoeverre het voorgenomen beleid inzake natuur en landschap is afgestemd op, dan wel leidt tot aanpassing van het nationale milieubeleid en het nationale waterbeleid en in hoeverre en binnen welke termijn zij voornemens zijn het nationaal milieubeleidsplan, bedoeld in artikel 4.3 van de Wet milieubeheer, en het nationale waterplan, bedoeld in artikel 4.1 van de Waterwet, te herzien.

2. Met het geldende natuurbeleidsplan wordt tevens rekening gehouden bij de vaststelling van rijksbeleid op andere terreinen van beleid dan bedoeld in het eerste lid, voorzover daarbij het belang van duurzame instandhouding, herstel en ontwikkeling van natuurlijke en landschappelijke waarden wordt geraakt.

 

Artikel 7

1.Onze Ministers betrekken bij de voorbereiding van het natuurbeleidsplan de naar hun oordeel bij de te behandelen onderwerpen meest belanghebbende bestuursorganen, instellingen en organisaties. Daartoe behoren in elk geval gedeputeerde staten van de provincies.

2.Op de voorbereiding van het nationale natuurbeleidsplan is afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing. Zienswijzen kunnen naar voren worden gebracht door een ieder.

 

Artikel 8

1.Het plan geldt voor een tijdvak van acht jaar, nadat het is vastgesteld, behoudens ingeval in dat tijdvak een nieuw plan is vastgesteld.

2.Na het verstrijken van de eerste vier jaar van de geldingsduur kan naar aanleiding van een beoordeling van de in die periode opgedane ervaringen het plan door Onze Ministers worden aangepast met inachtneming van artikel 7.

3.Onze Ministers doen het plan alsmede een eventueel besluit tot aanpassing van dat plan toekomen aan de Staten-Generaal en aan gedeputeerde staten van de provincies.

4.Onze Minister maakt de vaststelling van het plan en van aanpassingen daarvan bekend in de Staatscourant. Hierbij geeft hij aan op welke wijze kennis kan worden gekregen van de inhoud van het plan of de aanpassingen daarvan.

 

Artikel 9

1.Er is een Structuurvisie Natuur en Landschap.

2.De structuurvisie geeft inzicht in de ruimtelijke aspecten van het rijksbeleid inzake natuur en landschap.

3.De structuurvisie is een structuurvisie als bedoeld in artikel 2.3, tweede lid, van de Wet ruimtelijke ordening.

 

Artikel 9a

1.Het Milieu- en Natuurplanbureau brengt eenmaal in de vier jaar aan Onze Minister een wetenschappelijk rapport uit, waarin de toestand van natuur, bos en landschap, alsmede de ten aanzien daarvan meest waarschijnlijke en mogelijke andere toekomstige ontwikkelingen voor een door Onze Minister aan te geven periode worden beschreven.

2.Het Milieu- en Natuurplanbureau brengt jaarlijks aan Onze Minister een wetenschappelijk rapport uit, waarin, mede in het licht van in eerdere rapporten beschreven ontwikkelingen, de stand van zaken in de beleidsuitvoering, de voortgang en nieuwe ontwikkelingen worden beschreven. Indien zich onvoorzien een omstandigheid voordoet die belangrijke gevolgen kan hebben voor de ontwikkeling van natuur, bos en landschap op langere termijn, neemt het Milieu- en Natuurplanbureau, indien Onze Minister daarom verzoekt, in een rapport tevens een beschrijving op van die mogelijke ontwikkeling.

 

Artikel 9b

1.Onze Minister wijst, tezamen met – ieder voorzover het hem aangaat – Onze Ministers van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer, van Verkeer en Waterstaat en van Economische Zaken, overheidsinstellingen aan, die door het Milieu- en Natuurplanbureau in ieder geval worden betrokken bij het opstellen van de in artikel 9a bedoelde rapporten.

2.Onze Minister kan, tezamen met – ieder voorzover het hem aangaat – Onze Ministers van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer, van Verkeer en Waterstaat en van Economische Zaken, regels stellen ten aanzien van de wijze waarop de krachtens het eerste lid aangewezen overheidsinstellingen bij het opstellen van de rapporten worden betrokken.

3.Het Milieu- en Natuurplanbureau en de op grond van het eerste lid aangewezen instellingen verschaffen elkaar desgevraagd alle inlichtingen en gegevens waarover zij kunnen beschikken voorzover dat voor het opstellen van de rapporten, bedoeld in artikel 9a, eerste en tweede lid, redelijkerwijs noodzakelijk is.

 

Artikel 9c

1.Onze Minister kan aanwijzingen geven omtrent veronderstelde ontwikkelingen die in ieder geval als grondslag voor beschrijvingen als bedoeld in artikel 9a, eerste lid, moeten worden aangenomen, alsmede omtrent onderwerpen die in ieder geval in een rapport als bedoeld in dat artikellid, moeten worden beschreven.

2.Behoudens artikel 9a, tweede lid, en het eerste lid, geven Onze betrokken Ministers het Milieu- en Natuurplanbureau en de krachtens artikel 9b, eerste lid, aangewezen instellingen geen aanwijzingen met betrekking tot de inhoud van de rapporten.

 

Artikel 9d

1.Onze Minister doet een rapport als bedoeld in artikel 9a, eerste lid, toekomen aan de Staten-Generaal.

2.Onze Minister doet een rapport als bedoeld in artikel 9a, tweede lid, eveneens toekomen aan de Staten-Generaal, en wel gelijktijdig met de begroting.

3.Het Milieu- en Natuurplanbureau draagt er zorg voor dat de rapporten algemeen verkrijgbaar worden gesteld.

 

Hoofdstuk III. Beschermde gebieden

 

Titel 1. De aanwijzing van gebieden

 

Artikel 10

1.Onze Minister kan, mede op grondslag van de structuurvisie, bedoeld in artikel 9, bij besluit een natuurmonument aanwijzen als beschermd natuurmonument. Het besluit gaat vergezeld van een kaart waarop het beschermd natuurmonument is aangegeven en een toelichting.

2.Indien het beheer over een natuurmonument of een gedeelte daarvan berust bij een van Onze andere Ministers, dan neemt Onze Minister een besluit als bedoeld in het eerste lid niet dan in overeenstemming met die andere Minister.

3.Indien in andere gevallen dan bedoeld in het tweede lid, een van Onze andere Ministers op grond van enig wettelijk voorschrift bevoegd is besluiten te nemen met betrekking tot het natuurmonument, vindt voorafgaand aan het nemen van een besluit als bedoeld in het eerste lid overleg plaats met die andere Minister.

 

Artikel 10a

1.Onze Minister wijst gebieden aan ter uitvoering van richtlijn 79/409/EEG en richtlijn 92/43/EEG.

2.Een besluit als bedoeld in het eerste lid bevat de instandhoudingsdoelstelling voor het gebied. Tot de instandhoudingsdoelstelling behoren in ieder geval:

a. de doelstellingen ten aanzien van de instandhouding van de leefgebieden, voorzover vereist ingevolge richtlijn 79/409/EEG of

b. de doelstellingen ten aanzien van de instandhouding van de natuurlijke habitats of populaties in het wild levende dier- en plantensoorten voorzover vereist ingevolge richtlijn 92/43/EEG.

3.De instandhoudingsdoelstelling, bedoeld in het tweede lid, kan mede betrekking hebben op doelstellingen ten aanzien van het behoud, het herstel en de ontwikkeling van het natuurschoon of de natuurwetenschappelijke betekenis van het gebied, anders dan vereist ingevolge de richtlijnen, bedoeld in het tweede lid.

4.Een besluit als bedoeld in het eerste lid gaat vergezeld van een kaart, waarop de begrenzing van het gebied nauwkeurig wordt aangegeven alsmede van een toelichting.

5.Artikel 10, tweede en derde lid, is van overeenkomstige toepassing.

 

Artikel 11

1.Op de voorbereiding van een besluit als bedoeld in de artikelen 10, eerste lid, en 10a, eerste lid, is afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing.

2.Zienswijzen met betrekking tot de voorbereiding van een besluit als bedoeld in artikel 10, eerste lid, worden naar voren gebracht bij gedeputeerde staten.

3.Binnen vier maanden na afloop van de in artikel 3:16, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht bedoelde termijn zenden gedeputeerde staten de naar voren gebrachte zienswijzen, vergezeld van hun beschouwingen, aan Onze Minister. Op verzoek van gedeputeerde staten kan Onze Minister de in de eerste volzin bedoelde termijn met acht weken verlengen.

 

Artikel 12

1.In geval van dringende noodzaak kan Onze Minister bij besluit een natuurmonument ten aanzien waarvan overeenkomstig artikel 11 een besluit tot aanwijzing als beschermd natuurmonument wordt voorbereid reeds voorlopig als zodanig aanwijzen voordat de procedure, bedoeld in de artikelen 11 en 13 is voltooid.

2.Een besluit tot voorlopige aanwijzing vervalt zodra met inachtneming van de artikelen 11 en 13 een definitief besluit over aanwijzing als beschermd natuurmonument is genomen, doch in ieder geval een jaar nadat het ontwerp-besluit overeenkomstig artikel 11 ter inzage is gelegd.

3.Het eerste en tweede lid zijn van overeenkomstige toepassing op gebieden als bedoeld in artikel 10a, eerste lid, met dien verstande dat in het tweede lid de zinsnede beginnend met «doch in ieder geval» en eindigend met «ter inzage is gelegd» niet van toepassing is.

 

Artikel 13

Binnen een jaar nadat het ontwerp-besluit tot aanwijzing als beschermd natuurmonument overeenkomstig artikel 11 ter inzage is gelegd, beslist Onze Minister over de aanwijzing als beschermd natuurmonument, doch niet alvorens hij, voor zover van toepassing, de zienswijzen en beschouwingen, bedoeld in artikel 11, derde lid, heeft ontvangen dan wel de krachtens dat artikellid geldende termijnen zijn verstreken.

 

Artikel 14

1.Van een besluit tot voorlopige aanwijzing als bedoeld in artikel 12 wordt mededeling gedaan aan de eigenaren en hypothecaire schuldeisers.

2.Onze Minister maakt een besluit tot voorlopige aanwijzing als bedoeld in artikel 12, bekend in de Staatscourant.

3.Indien Onze Minister niet tot aanwijzing als beschermd natuurmonument of als gebied als bedoeld in artikel 10a, eerste lid, overgaat, maakt hij dit bekend en doet daarvan mededeling overeenkomstig het eerste en tweede lid en de artikelen 3:42 en 3:43 van de Algemene wet bestuursrecht.

 

Artikel 15

1.Onze Minister kan bij besluit een aanwijzing als bedoeld in artikel 10 of 10a geheel of gedeeltelijk intrekken of wijzigen. Het besluit gaat vergezeld van een toelichting alsmede in geval van gedeeltelijke intrekking of wijziging van een kaart waarop het gedeelte van het natuurmonument, waarop de intrekking of de wijziging betrekking heeft, is aangegeven.

2.Onze Minister kan bij besluit de instandhoudingsdoelstellingen onderscheidenlijk de doelstellingen ten aanzien van het behoud, herstel en de ontwikkeling van het natuurschoon of de natuurwetenschappelijke betekenis, bedoeld in artikel 15a, derde lid, wijzigen.

3.Artikel 10, tweede en derde lid, en de artikelen 11 tot en met 14 zijn van toepassing.

 

Artikel 15a

1.Een Natura 2000-gebied kan niet worden aangewezen als beschermd natuurmonument als bedoeld in artikel 10, eerste lid.

2.Een besluit houdende de aanwijzing van een natuurmonument als beschermd natuurmonument als bedoeld in artikel 10, eerste lid, vervalt met ingang van het tijdstip waarop doch slechts voorzover dat beschermd natuurmonument deel uitmaakt van een aangewezen gebied als bedoeld in artikel 10a, eerste lid.

3.Indien met toepassing van het tweede lid een besluit houdende de aanwijzing van een natuurmonument als beschermd natuurmonument geheel of gedeeltelijk is vervallen, heeft de instandhoudingsdoelstelling voor het op grond van artikel 10a, eerste lid, aangewezen gebied, voor het gedeelte van het gebied waarop de aanwijzing als beschermd natuurmonument betrekking had, mede betrekking op de doelstellingen ten aanzien van het behoud, herstel en de ontwikkeling van het natuurschoon of de natuurwetenschappelijke betekenis van het gebied zoals bepaald in het vervallen besluit.

 

Titel 2. Rechtsgevolgen

 

§ 1. Rechtsgevolgen beschermde natuurmonumenten

 

Artikel 16

1.Het is verboden zonder vergunning van gedeputeerde staten of, ten aanzien van handelingen als bedoeld in het zesde lid, van Onze Minister, in een beschermd natuurmonument handelingen te verrichten, te doen verrichten of te gedogen, die schadelijk kunnen zijn voor het natuurschoon, voor de natuurwetenschappelijke betekenis van het beschermd natuurmonument of voor dieren of planten in het beschermd natuurmonument of die het beschermd natuurmonument ontsieren, dan wel in strijd met de bij een vergunning gestelde voorschriften of beperkingen handelingen te verrichten, te doen verrichten of te gedogen.

2.Als schadelijke handelingen worden in elk geval aangemerkt handelingen die de in het besluit tot aanwijzing als beschermd natuurmonument vermelde wezenlijke kenmerken van het beschermde natuurmonument aantasten.

3.Voorzover een vergunning als bedoeld in het eerste lid betrekking heeft op het verrichten, doen verrichten of gedogen van handelingen die significante gevolgen kunnen hebben voor het natuurschoon, de natuurwetenschappelijke betekenis of voor dieren of planten in een beschermd natuurmonument, wordt deze slechts verleend indien met zekerheid vaststaat, dat die handelingen de natuurlijke kenmerken van het beschermde natuurmonument niet aantasten, tenzij dwingende redenen van groot openbaar belang tot het verlenen van een vergunning noodzaken.

4.Het in het eerste lid bedoelde verbod is tevens van toepassing op handelingen als bedoeld in dat lid die buiten het beschermd natuurmonument kunnen worden verricht en die zijn vermeld in het besluit tot aanwijzing als beschermd natuurmonument, bedoeld in artikel 10, of een besluit tot voorlopige aanwijzing als bedoeld in artikel 12. Bij de vermelding van handelingen kunnen beperkingen worden gesteld en uitzonderingen worden opgenomen met betrekking tot het tijdvak waarin, de omstandigheden waaronder, de doeleinden waarvoor en met betrekking tot de personen door wie zij worden verricht.

5.Dit artikel is niet van toepassing op handelingen die worden verricht overeenkomstig een beheersplan als bedoeld in artikel 17.

6.Bij algemene maatregel van bestuur kunnen terzake van bij die maatregel genoemde beschermde natuurmonumenten handelingen worden aangewezen waarvoor een vergunning als bedoeld in het eerste lid wordt verleend door Onze Minister.

7.Een krachtens het zesde lid vastgestelde algemene maatregel van bestuur treedt niet eerder in werking dan acht weken na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin hij is geplaatst. Van de plaatsing wordt onverwijld mededeling gedaan aan de beide kamers der Staten-Generaal.

 

Artikel 17

1.Gedeputeerde staten kunnen in overeenstemming met de eigenaar en de gebruiker voor een beschermd natuurmonument of een gedeelte daarvan een beheerplan vaststellen, dat het behoud, het herstel of de ontwikkeling van het natuurschoon of van de natuurwetenschappelijke betekenis van het natuurmonument ten doel heeft.

2.Voorzover de kosten en lasten die voor de eigenaar en de gebruiker aan de uitvoering van het beheerplan zijn verbonden redelijkerwijze niet of niet geheel te hunnen laste behoren te komen, wordt in het beheerplan een door gedeputeerde staten te betalen subsidie vastgesteld.

3.Gedeputeerde staten brengen het plan ter kennis van Onze Minister en van burgemeester en wethouders van de gemeenten waarin het beschermd natuurmonument of het gedeelte daarvan waarop het beheerplan betrekking heeft, is gelegen.

4.De eigenaar en de gebruiker zijn verplicht zorg te dragen voor de naleving van het beheerplan, ieder voorzover dat uit de aard van zijn recht voortvloeit.

 

Artikel 17a [Vervallen per 20-09-2000]

 

Artikel 17b [Vervallen per 20-09-2000]

 

Artikel 17c [Vervallen per 20-09-2000]

 

Artikel 17d [Vervallen per 20-09-2000]

 

Artikel 18

1.Het beheerplan, bedoeld in artikel 17, wordt vastgesteld voor een tijdvak van ten hoogste zes jaren.

2.Het beheerplan wordt van rechtswege verlengd met een tijdvak gelijk aan het laatst verstreken tijdvak waarvoor het beheerplan werd vastgesteld.

3.Verlenging vindt niet van rechtswege plaats wanneer gedeputeerde staten, de eigenaar of de gebruiker uiterlijk vier weken voor het einde van het geldend beheerplan schriftelijk te kennen heeft gegeven dat verlenging niet wordt verlangd.

4.Gedeputeerde staten kunnen de kennisgeving slechts doen indien:

a. de eigenaar of de gebruiker de uit het beheerplan voortvloeiende verplichtingen in het afgelopen tijdvak niet of niet op de juiste wijze is nagekomen;

b. ongewijzigde verlenging van het beheerplan zou leiden tot een beheer dat naar hun oordeel het behoud, het herstel of de ontwikkeling van het natuurschoon of van de natuurwetenschappelijke betekenis van het natuurmonument onvoldoende waarborgt;

c. een andere zwaarwichtige reden bestaat om niet tot verlenging van het beheerplan over te gaan.

 

Artikel 19

1.Gedeputeerde staten kunnen een vastgesteld beheerplan in overeenstemming met de eigenaar en de gebruiker wijzigen.

2.Artikel 17, derde lid, is van overeenkomstige toepassing.

 

§ 2. Rechtsgevolgen gebieden ter uitvoering van Europeesrechtelijke verplichtingen

 

Artikel 19a

1. Gedeputeerde staten stellen, na overleg met de eigenaars, gebruikers en andere belanghebbenden, voor een op grond van artikel 10a, eerste lid, aangewezen gebied of een op grond van artikel 12, derde lid, voorlopig aangewezen gebied een beheerplan vast waarin met inachtneming van de instandhoudingsdoelstelling wordt beschreven welke instandhoudingsmaatregelen getroffen dienen te worden en op welke wijze. Tevens kan het beheerplan beschrijven welke handelingen en ontwikkelingen in het gebied en daarbuiten, in voorkomend geval onder nader in het beheerplan aangegeven voorwaarden en beperkingen, het bereiken van de instandhoudingsdoelstelling niet in gevaar brengen, mede gelet op de instandhoudingsmaatregelen die worden getroffen.

2. Een beheerplan als bedoeld in het eerste lid wordt vastgesteld voor een tijdvak van ten hoogste zes jaren. Een beheerplan kan telkenmale voor een gelijk tijdvak worden verlengd.

3. Tot de inhoud van een beheerplan behoren ten minste:

a. een beschrijving van de beoogde resultaten met het oog op het behoud of herstel van natuurlijke habitats en populaties van wilde dier- en plantensoorten in een gunstige staat van instandhouding in het aangewezen gebied mede in samenhang met het bestaande gebruik in dat gebied en, voor zover relevant voor het bereiken van de instandhoudingsdoelstelling, daarbuiten;

b. een overzicht op hoofdlijnen van de in de door het plan bestreken periode noodzakelijke maatregelen met het oog op de onder a bedoelde resultaten.

4. Bij de noodzakelijke maatregelen, bedoeld in het derde lid, onderdeel b, wordt rekening gehouden met vereisten op economisch, sociaal en cultureel gebied, alsmede met regionale en lokale bijzonderheden.

5. Op de voorbereiding van een beheerplan als bedoeld in het eerste lid is de in afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht geregelde procedure van toepassing.

6. Beheerplannen worden niet vastgesteld dan na overleg met de besturen van gemeenten en waterschappen op het grondgebied waarvan die beheerplannen betrekking hebben.

7. Een beheerplan als bedoeld in het eerste lid wordt uiterlijk drie jaar na dagtekening van het in artikel 10a, eerste lid, genoemde besluit voor het eerst vastgesteld.

8. Indien een gebied voorlopig is aangewezen op grond van artikel 12, derde lid, wordt in afwijking van het zevende lid, een beheerplan als bedoeld in het eerste lid uiterlijk drie jaar na dagtekening van het besluit tot voorlopige aanwijzing voor het eerst vastgesteld.

 

Artikel 19b

1. In afwijking van het bepaalde in artikel 19a wordt een beheerplan als bedoeld in dat artikel, voor een op grond van artikel 10a, eerste lid, aangewezen gebied of een gebied dat voorlopig is aangewezen als bedoeld in artikel 12, derde lid, dat geheel of ten dele wordt beheerd door of onder verantwoordelijkheid valt van Onze Minister of één van Onze andere Ministers, voor het geheel onderscheidenlijk het betreffende gedeelte vastgesteld door Onze Minister of door Onze andere Minister in overeenstemming met Onze Minister, en voor zover nodig na overleg met betrokken eigenaren, gebruikers en andere belanghebbenden.

2. Een beheerplan als bedoeld in het eerste lid kan in voorkomende gevallen deel uit maken van een plan gericht op het beheer van een gebied als bedoeld in het eerste lid, dat al dan niet op grond van enig ander wettelijk voorschrift is vastgesteld.

3. Beheerplannen worden niet vastgesteld dan na overleg met de besturen van provincies, gemeenten en waterschappen op het grondgebied waarvan die beheerplannen betrekking hebben.

4. Artikel 19a, tweede, derde, vierde, vijfde en zevende lid, zijn van overeenkomstige toepassing.

 

Artikel 19c

1.In de periode totdat het eerste beheerplan voor het desbetreffende Natura 2000-gebied onherroepelijk is geworden draagt Onze Minister ervoor zorg dat passende maatregelen worden genomen om te voorkomen dat bestaand gebruik de kwaliteit van de natuurlijke habitats en de habitats van soorten in een Natura 2000-gebied verslechtert en dat er door bestaand gebruik storende factoren optreden die gelet op de instandhoudingsdoelstellingen een significant effect kunnen hebben op de soorten waarvoor het gebied is aangewezen.

2.Ter uitvoering van het eerste lid kan Onze Minister degene die bestaand gebruik uitoefent in de periode totdat het eerste beheerplan voor het desbetreffende Natura 2000-gebied onherroepelijk is geworden, waardoor de kwaliteit van de natuurlijke habitats en de habitats van soorten in een Natura 2000-gebied kan verslechteren of waardoor er storende factoren optreden die gelet op de instandhoudingsdoelstellingen een significant effect kunnen hebben op de soorten waarvoor het gebied is aangewezen:

a. verplichten binnen een door Onze Minister te stellen termijn informatie te verstrekken over het gebruik;

b. verplichten binnen een door Onze Minister te stellen termijn en met inachtneming van door Onze Minister te geven instructies de nodige preventieve of herstelmaatregelen te treffen; of

c. verplichten dat gebruik binnen een door Onze Minister te stellen termijn te staken of te beperken.

3.Onze Minister stelt belanghebbenden in de gelegenheid hun zienswijze uit te brengen over een voornemen tot het opleggen van een verplichting als bedoeld in het tweede lid, tenzij de verslechtering of verstoring het opleggen van een verplichting terstond noodzakelijk maakt.

4.Het is verboden te handelen in strijd met een verplichting als bedoeld in het tweede lid.

 

Artikel 19d

1.Het is verboden zonder vergunning, of in strijd met aan die vergunning verbonden voorschriften of beperkingen, van gedeputeerde staten of, ten aanzien van projecten of andere handelingen als bedoeld in het vierde lid, van Onze Minister, projecten of andere handelingen te realiseren onderscheidenlijk te verrichten die gelet op de instandhoudingsdoelstelling de kwaliteit van de natuurlijke habitats en de habitats van soorten in een Natura 2000-gebied kunnen verslechteren of een significant verstorend effect kunnen hebben op de soorten waarvoor het gebied is aangewezen. Zodanige projecten of andere handelingen zijn in ieder geval projecten of handelingen die de natuurlijke kenmerken van het desbetreffende gebied kunnen aantasten.

2.Het verbod, bedoeld in het eerste lid, is niet van toepassing op het realiseren van projecten of het verrichten van andere handelingen overeenkomstig een beheerplan als bedoeld in de artikelen 19a of 19b.

3.Het verbod, bedoeld in het eerste lid, is niet van toepassing op bestaand gebruik gedurende de periode, bedoeld in artikel 19c, eerste lid, behoudens indien dat gebruik een project is dat niet direct verband houdt met of nodig is voor het beheer van een Natura 2000-gebied maar dat afzonderlijk of in combinatie met andere projecten of plannen significante gevolgen kan hebben voor het desbetreffende Natura 2000-gebied.

4.Bij algemene maatregel van bestuur kunnen projecten of andere handelingen of categorieën van gebieden worden aangewezen waarvoor een vergunning als bedoeld in het eerste lid wordt verleend door Onze Minister.

5.De voordracht voor een krachtens het vierde lid vast te stellen algemene maatregel van bestuur wordt niet eerder gedaan dan vier weken nadat het ontwerp aan beide kamers der Staten-Generaal is overgelegd.

 

Artikel 19da

1.Bij algemene maatregel van bestuur kan worden bepaald dat het verbod, bedoeld in artikel 19d, eerste lid, niet van toepassing is op bepaalde categorieën van projecten of andere handelingen.

2.Bij algemene maatregel van bestuur kan worden bepaald dat Onze Minister met betrekking tot projecten en andere handelingen behorende tot een categorie als bedoeld in het eerste lid beperkingen of verplichtingen kan opleggen.

3.Een krachtens het eerste of tweede lid vastgestelde algemene maatregel van bestuur treedt niet eerder in werking dan zes weken na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin hij is geplaatst. Van plaatsing wordt onverwijld mededeling gedaan aan de beide Kamers der Staten-Generaal.

 

Artikel 19e

Gedeputeerde staten houden bij het verlenen van een vergunning als bedoeld in artikel 19d, eerste lid, rekening

a. met de gevolgen die een project of andere handeling, waarop de vergunningaanvraag betrekking heeft, gelet op de instandhoudingsdoelstelling kan hebben voor een Natura 2000-gebied;

b. met een op grond van artikel 19a of artikel 19b vastgesteld beheerplan, en

c. vereisten op economisch, sociaal en cultureel gebied, alsmede regionale en lokale bijzonderheden.

 

Artikel 19f

1.Voor projecten waarover gedeputeerde staten een besluit op een aanvraag voor een vergunning als bedoeld in artikel 19d, eerste lid, nemen, en die niet direct verband houden met of nodig zijn voor het beheer van een Natura 2000-gebied maar die afzonderlijk of in combinatie met andere projecten of plannen significante gevolgen kunnen hebben voor het desbetreffende gebied, maakt de initiatiefnemer alvorens gedeputeerde staten een besluit nemen, een passende beoordeling van de gevolgen voor het gebied waarbij rekening wordt gehouden met de instandhoudingsdoelstelling van dat gebied.

2.De passende beoordeling terzake van een besluit op een aanvraag voor een vergunning als bedoeld in artikel 19d, eerste lid, kan onderdeel uitmaken van een voor dat project voorgeschreven milieu-effectrapportage.

3.De verplichting tot het maken van een passende beoordeling bij de voorbereiding van een besluit als bedoeld in het eerste lid, geldt niet in gevallen waarin degene die een project waarop dat besluit betrekking heeft, onderneemt, daarmee een project ten aanzien waarvan reeds eerder een passende beoordeling is gemaakt, herhaalt of voortzet, voorzover de passende beoordeling redelijkerwijs geen nieuwe gegevens en inzichten kan opleveren omtrent de significante gevolgen van dat project.

 

Artikel 19g

1.Indien een passende beoordeling is voorgeschreven op grond van artikel 19f, eerste lid, kan een vergunning als bedoeld in artikel 19d, eerste lid, slechts worden verleend indien gedeputeerde staten zich op grond van de passende beoordeling ervan hebben verzekerd dat de natuurlijke kenmerken van het gebied niet zullen worden aangetast.

2.In afwijking van het eerste lid kunnen bij ontstentenis van alternatieve oplossingen voor een project gedeputeerde staten ten aanzien van Natura 2000-gebieden waar geen prioritair type natuurlijke habitat of prioritaire soort voorkomt, een vergunning als bedoeld in artikel 19d, eerste lid, voor het realiseren van het desbetreffende project, slechts verlenen om dwingende redenen van groot openbaar belang met inbegrip van redenen van sociale of economische aard.

3.Ten aanzien van Natura 2000-gebieden waar een prioritair type natuurlijke habitat of een prioritaire soort voorkomt, kunnen gedeputeerde staten bij ontstentenis van alternatieve oplossingen voor een project of andere handeling, in afwijking van het eerste lid, een vergunning als bedoeld in artikel 19d, eerste lid, voor het realiseren van het desbetreffende project, slechts verlenen:

a. op argumenten die verband houden met de menselijke gezondheid, de openbare veiligheid of voor het milieu wezenlijke gunstige effecten of

b. na advies van de Commissie van de Europese Gemeenschappen om andere dwingende redenen van groot openbaar belang.

4.Een advies als bedoeld in het derde lid, onderdeel b, wordt door Onze Minister gevraagd.

 

Artikel 19h

1. Indien een vergunning als bedoeld in artikel 19d, eerste lid, om dwingende redenen van groot openbaar belang wordt verleend voor het realiseren van projecten, waarvan niet met zekerheid vaststaat dat die projecten de natuurlijke kenmerken van het Natura 2000-gebied niet aantasten, verbinden gedeputeerde staten aan die vergunning in ieder geval het voorschrift inhoudende de verplichting compenserende maatregelen te treffen.

2. De initiatiefnemer wordt door gedeputeerde staten tijdig tevoren in de gelegenheid gesteld om voorstellen voor compenserende maatregelen te doen.

3. In de voorstellen voor compenserende maatregelen, bedoeld in het tweede lid, wordt in ieder geval opgenomen op welke wijze en in welk tijdsbestek de compenserende maatregelen zullen worden getroffen.

4. Voor zover compenserende maatregelen worden voorgeschreven met het oog op de doelstellingen, bedoeld in artikel 10a, tweede lid, onderdeel a of onderdeel b, dient het met deze maatregelen beoogde resultaat te zijn bereikt op het tijdstip waarop significante gevolgen als bedoeld in artikel 19f, eerste lid, zich voordoen, tenzij kan worden aangetoond dat deze gelijktijdigheid niet noodzakelijk is om de bijdrage van het betrokken gebied aan Natura 2000 veilig te stellen.

5. Bij ministeriële regeling kan Onze Minister in overeenstemming met Onze andere Ministers, wie het mede aangaat nadere eisen stellen ten aanzien van compenserende maatregelen.

 

Artikel 19i

In de gevallen waarin Onze Minister bevoegd is te besluiten op een aanvraag voor een vergunning als bedoeld in artikel 19d, eerste lid, zijn de artikelen 19e, 19f, 19g en 19h van overeenkomstige toepassing.

 

Artikel 19j

1. Een bestuursorgaan houdt bij het nemen van een besluit tot het vaststellen van een plan dat, gelet op de instandhoudingsdoelstelling voor een Natura 2000-gebied, de kwaliteit van de natuurlijke habitats en de habitats van soorten in dat gebied kan verslechteren of een significant verstorend effect kan hebben op de soorten waarvoor het gebied is aangewezen, ongeacht de beperkingen die terzake in het wettelijk voorschrift waarop het berust, zijn gesteld, rekening

a. met de gevolgen die het plan kan hebben voor het gebied, en

b. met het op grond van artikel 19a of artikel 19b voor dat gebied vastgestelde beheerplan.

2. Voor plannen als bedoeld in het eerste lid, die niet direct verband houden met of nodig zijn voor het beheer van een Natura 2000-gebied maar die afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten significante gevolgen kunnen hebben voor het desbetreffende gebied, maakt het bestuursorgaan alvorens het plan vast te stellen een passende beoordeling van de gevolgen voor het gebied waarbij rekening wordt gehouden met de instandhoudingsdoelstelling van dat gebied.

3. In de gevallen, bedoeld in het tweede lid, wordt het besluit, bedoeld in het eerste lid, alleen genomen indien is voldaan aan de voorwaarden, genoemd in de artikelen 19g en 19h.

4. De passende beoordeling van deze plannen maakt deel uit van de ter zake van die plannen voorgeschreven milieu-effectrapportage.

5. De verplichting tot het maken van een passende beoordeling bij de voorbereiding van een plan als bedoeld in het tweede lid geldt niet in gevallen waarin het plan een herhaling of voortzetting is van een plan of project ten aanzien waarvan reeds eerder een passende beoordeling is gemaakt, voor zover de passende beoordeling redelijkerwijs geen nieuwe gegevens en inzichten kan opleveren omtrent de significante gevolgen van dat plan.

6. Het eerste tot en met derde lid en het vijfde lid zijn van overeenkomstige toepassing op projectbesluiten als bedoeld in artikel 1.1, eerste lid, onderdeel f, van de Wet ruimtelijke ordening.

 

Artikel 19k

1.Gedeputeerde staten stellen Onze Minister in kennis van projecten als bedoeld in artikel 19f, eerste lid, en zenden een afschrift van vergunningen als bedoeld in artikel 19d, eerste lid, die met toepassing van artikel 19g zijn genomen naar Onze Minister en brengen Onze Minister op de hoogte van de genomen compenserende maatregelen, bedoeld in artikel 19h.

2.Een bestuursorgaan dat een plan vaststelt als bedoeld in artikel 19j, tweede lid, dat met toepassing van artikel 19g is genomen zendt een afschrift van het besluit tot vaststelling van het plan naar Onze Minister en brengt Onze Minister op de hoogte van de genomen compenserende maatregelen, bedoeld in artikel 19h.

3.Onze Minister stelt de Commissie van de Europese Gemeenschappen op de hoogte van de genomen compenserende maatregelen, bedoeld in het eerste en tweede lid.

 

Artikel 19ka

1. Indien voor het realiseren of verrichten van een project of andere handeling naast de vergunning , bedoeld in artikel 19d, eerste lid, andere besluiten vereist zijn, bevordert het bestuursorgaan waarbij de initiatiefnemer met betrekking tot dat project of die handeling een aanvraag heeft ingediend dat hij in kennis wordt gesteld van die andere besluiten, waarvan het bestuursorgaan redelijkerwijs kan aannemen dat deze nodig zijn.

2. De initiatiefnemer kan bij één van de betrokken bestuursorganen schriftelijk om coördinatie van besluitvorming verzoeken.

3. Tot coördinatie van besluitvorming kan ook ambtshalve door de betrokken bestuursorganen in onderling overleg worden besloten. De initiatiefnemer wordt hiervan in kennis gesteld.

4. Indien een verzoek als bedoeld in het tweede lid is ingediend of indien ambtshalve tot coördinatie is besloten, wijzen de betrokken bestuursorganen uit hun midden een coördinerend bestuursorgaan aan. Indien, nadat er een verzoek is gedaan als bedoeld in het tweede lid, geen coördinerend bestuursorgaan is aangewezen, wordt als zodanig aangemerkt het bestuursorgaan dat als het hogere gezag kan worden aangemerkt.

5. Het coördinerend bestuursorgaan bevordert een doelmatige en samenhangende besluitvorming. De andere betrokken bestuursorganen verlenen alle medewerking die voor het welslagen van een doelmatige en samenhangende besluitvorming nodig is.

 

§ 3. Overige rechtsgevolgen

 

Artikel 19l

1.Een ieder neemt voldoende zorg in acht voor de instandhouding van een gebied aangewezen op grond van artikel 10 of een Natura 2000-gebied als bedoeld in artikel 12.

2.De zorg, bedoeld in het eerste lid, houdt in ieder geval in dat een ieder die weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat door zijn handelen of nalaten, gelet op de instandhoudingsdoelstelling, voor zover het een Natura 2000-gebied betreft dan wel gelet op de wezenlijke kenmerken van een gebied, aangewezen op grond van artikel 10, eerste lid, nadelige gevolgen voor het gebied, bedoeld in het eerste lid, kunnen worden veroorzaakt, verplicht is dergelijke handelingen achterwege te laten, dan wel, indien dat achterwege laten redelijkerwijs niet kan worden gevergd, alle maatregelen te nemen die redelijkerwijs van hem kunnen worden gevergd teneinde die gevolgen te voorkomen of, voorzover die gevolgen niet kunnen worden voorkomen, deze zoveel mogelijk te beperken of ongedaan te maken.

 

Artikel 20

1.Gedeputeerde staten kunnen de toegang tot een beschermd natuurmonument als bedoeld in artikel 10, eerste lid, een Natura 2000-gebied of delen van bedoelde gebieden, voorzover dit noodzakelijk is voor de bescherming van natuurwaarden, beperken.

2.Indien een gebied als bedoeld in het eerste lid geheel of ten dele wordt beheerd door of onder verantwoordelijkheid van Onze Minister of een van Onze andere Ministers, wordt de in het eerste lid bedoelde bevoegdheid uitgeoefend door Onze Minister in overeenstemming met Onze andere Minister.

3.Het is verboden in strijd met de beperkingen die ingevolge het eerste en tweede lid zijn opgelegd, zich te bevinden in een beschermd natuurmonument als bedoeld in artikel 10, eerste lid, een Natura 2000-gebied of gedeelten daarvan.

4.Het verbod in het derde lid geldt niet voor de eigenaar en de gebruiker van een beschermd natuurmonument als bedoeld in artikel 10, eerste lid of een Natura 2000-gebied, indien bedoeld gebruiksrecht zich daarover uitstrekt.

 

Artikel 21

1.Indien ten gevolge van het achterwege blijven van maatregelen het natuurschoon of de natuurwetenschappelijke betekenis van het beschermd natuurmonument in ernstige mate vermindert of dreigt te verminderen, kunnen vanwege gedeputeerde staten in het beschermd natuurmonument maatregelen worden getroffen die noodzakelijk zijn om het natuurschoon of de natuurwetenschappelijke betekenis te herstellen of te behouden.

2.De eigenaar en de gebruiker zijn verplicht het treffen van de maatregelen te gedogen.

3.Gedeputeerde staten gaan niet over tot het treffen van de maatregelen dan nadat zij de eigenaar en gebruiker het voornemen daartoe schriftelijk hebben medegedeeld en, behoudens onverwijlde noodzaak, na de mededeling ten minste vier weken zijn verstreken.

4.Het eerste, tweede en derde lid zijn van overeenkomstige toepassing op een Natura 2000-gebied met dien verstande dat de noodzakelijke maatregelen worden getroffen, indien gelet op de instandhoudingsdoelstelling de kwaliteit van de natuurlijke habitats en de habitats van soorten in het aangewezen gebied verslechtert of indien er verstorende factoren optreden die een significant effect hebben op de soorten waarvoor het gebied is aangewezen. In het geval het gebied wordt beheerd door of onder verantwoordelijkheid van Onze Minister of een van Onze andere Ministers, worden zodanige maatregelen getroffen door Onze Minister onderscheidenlijk Onze andere Minister in overeenstemming met Onze Minister.

 

Artikel 22

1.Na overleg met de eigenaren en de gebruikers kunnen in een beschermd natuurmonument vanwege gedeputeerde staten de nodige kentekenen worden aangebracht om de aanwijzing als beschermd natuurmonument alsmede de rechtsgevolgen van de aanwijzing kenbaar te maken.

2.De eigenaar en gebruiker zijn verplicht het aanbrengen van de kentekenen te gedogen.

3.Het eerste en tweede lid zijn van overeenkomstige toepassing op een Natura 2000-gebied.

 

Hoofdstuk IV. Beschermde landschapsgezichten

 

Artikel 23

1.Gedeputeerde staten kunnen een landschapsgezicht bij besluit aanwijzen als beschermd landschapsgezicht.

2.Indien het betreffende gebied reeds is aangewezen als beschermd natuurmonument, houden gedeputeerde staten bij hun besluit rekening met die aanwijzing.

3.Gedeputeerde staten kunnen bij besluit een aanwijzing als beschermd landschapsgezicht geheel of gedeeltelijk wijzigen of intrekken.

4.Op een besluit als bedoeld in het derde lid zijn het tweede lid en de artikelen 24 tot en met 26 van overeenkomstige toepassing.

 

Artikel 24

1.Het besluit, bedoeld in artikel 23, bevat in ieder geval:

a. een beschrijving van de kenmerken van het landschapsgezicht voorzover deze kenmerken uiterlijk waarneembaar zijn;

b. een aanduiding van handelingen die de kenmerken, bedoeld in onderdeel a, kunnen aantasten.

2.Het besluit gaat vergezeld van een kaart waarop de begrenzing van het gebied dat als beschermd landschapsgezicht is aangewezen, is aangegeven.

 

Artikel 25

1.Alvorens tot een aanwijzing als beschermd landschapsgezicht over te gaan, zenden gedeputeerde staten het ontwerp-besluit aan de gemeenteraad van de gemeenten waarin het landschapsgezicht is gelegen alsmede aan de provinciale planologische commissie. De gemeenteraad brengt binnen zes maanden en de provinciale planologische commissie brengt binnen negen maanden na ontvangst van het ontwerp-besluit advies uit.

2.Binnen een jaar na toezending van het ontwerp-besluit, bedoeld in het eerste lid, beslissen gedeputeerde staten over aanwijzing van het landschapsgezicht als beschermd landschapsgezicht, doch niet alvorens zij de adviezen bedoeld in het eerste lid, hebben ontvangen dan wel de krachtens dat artikellid geldende termijnen zijn verstreken.

3.Gedeputeerde staten maken een besluit over aanwijzing van een landschapsgezicht als beschermd landschapsgezicht bekend in de Staatscourant en in één of meer in het betrokken gebied verspreide dag-, nieuws- of huis-aan-huisbladen.

4.Gedeputeerde staten zenden afschrift van een besluit over aanwijzing van een landschapsgezicht als beschermd landschapsgezicht aan Onze Minister en de gemeenteraad van de gemeenten waarin het beschermd landschapsgezicht is gelegen.

 

Artikel 26

1.De gemeenteraad van de gemeenten waarin het beschermd landschapsgezicht is gelegen, stelt ter bescherming van een beschermd landschapsgezicht een bestemmingsplan vast als bedoeld in de Wet ruimtelijke ordening. Bij het besluit tot aanwijzing van een beschermd landschapsgezicht kan hiertoe door gedeputeerde staten een termijn worden gesteld.

2.Bij het besluit tot aanwijzing van een beschermd landschapsgezicht wordt bepaald of en zo ja in hoeverre geldende bestemmingsplannen als beschermend plan in de zin van het eerste lid kunnen worden aangemerkt.

 

Hoofdstuk V. Internationale verplichtingen

 

Artikel 27

1.Onze Minister wijst gebieden aan ter uitvoering van verdragen of andere internationale verplichtingen met betrekking tot natuur- en landschapsbehoud met uitzondering van de richtlijn 79/409/EEG en de richtlijn 92/43/EEG, voorzover die verdragen of verplichtingen zulks met zich brengen.

2.Een besluit als bedoeld in het eerste lid, gaat vergezeld van een kaart, waarop de begrenzing van het gebied nauwkeurig wordt aangegeven alsmede van een toelichting. In de toelichting wordt in ieder geval vermeld op welke wijze de instandhouding van het gebied, overeenkomstig het bepaalde in de bedoelde verplichtingen, wordt verwezenlijkt.

3.Een besluit als bedoeld in het eerste lid, wordt bekendgemaakt in de Staatscourant en in één of meer in het betrokken gebied verspreide dag-, nieuws- of huis-aan-huisbladen.

 

Artikel 28

Alvorens tot een aanwijzing als bedoeld in artikel 27, eerste lid, over te gaan, hoort Onze Minister de besturen van de provincies en gemeenten waarin het gebied gelegen is.

 

Artikel 29

1.Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden, voorzover dit noodzakelijk is ter uitvoering van verdragen of andere internationale verplichtingen met betrekking tot natuur- en landschapsbehoud, nadere regels gesteld ten aanzien van de in deze wet geregelde onderwerpen.

2.Tot de regels, bedoeld in het eerste lid, kunnen behoren de criteria voor de beoordeling van op grond van artikel 27 aan te wijzen gebieden.

3.Tot de regels, bedoeld in het eerste lid, kan daarnaast behoren de mogelijkheid om door middel van een voorbereidingsbesluit te komen tot een voorlopige aanwijzing van een gebied, voordat de procedure, bedoeld in artikel 28, is voltooid.

 

Artikel 29a

1.Onverminderd het elders bij deze wet of bij een algemene maatregel van bestuur krachtens deze wet bepaalde, kunnen bij ministeriële regeling regels worden gesteld inzake onderwerpen waarop deze wet van toepassing is, mits deze regels uitsluitend strekken ter uitvoering van een voor Nederland verbindend verdrag of ander besluit van een volkenrechtelijke organisatie.

2.Bij de regeling, bedoeld in het eerste lid, kan het bij deze wet of bij algemene maatregel van bestuur krachtens deze wet bepaalde buiten werking worden gesteld, voorzover dat noodzakelijk is voor een juiste en tijdige uitvoering van een verdrag of besluit bedoeld in het eerste lid.

3.Voorzover bij de regeling het bij deze wet of bij algemene maatregel van bestuur krachtens deze wet bepaalde buiten werking worden gesteld, zorgt Onze Minister voor vervanging van de regeling. Indien voor de vervanging een wet nodig is, wordt binnen twee jaren na inwerkingtreding van de regeling een voorstel van wet ingediend bij de Staten-Generaal. Indien voor de vervanging een algemene maatregel van bestuur nodig is, wordt de voordracht aan Ons gedaan binnen een jaar na inwerkingtreding van de regeling.

 

Hoofdstuk VI. Schadevergoeding

 

Artikel 30

Voor de toepassing van dit hoofdstuk wordt verstaan onder het bevoegd gezag: het orgaan dat het besluit, bedoeld in artikel 31, heeft genomen of geacht wordt te hebben genomen.

 

Artikel 31

1.Voorzover blijkt dat een belanghebbende ten gevolge van een besluit, genomen krachtens hoofdstuk III van deze wet, schade lijdt of zal lijden, die redelijkerwijs niet of niet geheel te zijnen laste behoort te blijven en waarvan de vergoeding niet of niet voldoende door aankoop, onteigening of anderszins is verzekerd, kent het orgaan dat dat besluit heeft genomen of geacht wordt te hebben genomen, hem op zijn verzoek een naar billijkheid te bepalen schadevergoeding toe.

2.Het bevoegd gezag kan omtrent het verzoek om schadevergoeding het advies van de schadebeoordelingscommissie, bedoeld in artikel 32, inwinnen.

 

Artikel 32

1.Een schadebeoordelingscommissie wordt door het bevoegde gezag ingesteld.

2.De schadebeoordelingscommissie bestaat uit één of meer leden.

3.Een lid van een door Onze Minister ingestelde schadebeoordelingscommissie mag niet de betrekking bekleden van ambtenaar in dienst van het ministerie of van een dienst, bedrijf of instelling werkzaam onder verantwoordelijkheid van Onze Minister.

4.Met ambtenaar als bedoeld in het derde lid worden voor de toepassing van dit hoofdstuk gelijkgesteld zij die op grond van een arbeidsovereenkomst naar burgerlijk recht werkzaam zijn.

5.Een lid van een door gedeputeerde staten ingestelde schadebeoordelingscommissie mag niet de betrekking bekleden van:

a. commissaris van de Koning;

b. lid van gedeputeerde staten;

c. ambtenaar, door of vanwege het provinciaal bestuur aangesteld of daaraan ondergeschikt.

6.Met ambtenaar als bedoeld in het vijfde lid, onderdeel c, worden voor de toepassing van dit hoofdstuk gelijkgesteld zij die in dienst van de provincie op grond van een arbeidsovereenkomst naar burgerlijk recht werkzaam zijn.

 

Artikel 33

1. Indien het bevoegd gezag besluit het advies van de schadebeoordelingscommissie in te winnen, zendt het het verzoekschrift voor advies aan de schadebeoordelingscommissie, vergezeld van alle op de zaak betrekking hebbende stukken, onder gelijktijdige mededeling hiervan aan de verzoeker.

2. Het bevoegd gezag verleent aan de schadebeoordelingscommissie de gevraagde medewerking.

 

Artikel 34

1.De schadebeoordelingscommissie stelt de verzoeker of zijn gemachtigde in de gelegenheid zijn verzoek om schadevergoeding in een openbare vergadering tegenover haar nader toe te lichten.

2.Een door Onze Minister ingestelde schadebeoordelingscommissie kan ambtenaren in dienst van het ministerie of van een dienst, bedrijf of instelling, werkzaam onder verantwoordelijkheid van Onze Minister oproepen om in de openbare vergadering te verschijnen tot het geven van inlichtingen.

3.Een door gedeputeerde staten ingestelde schadebeoordelingscommissie kan één of meer leden van gedeputeerde staten, met inbegrip van de voorzitter, en ambtenaren door of vanwege het provinciaal bestuur aangesteld of daaraan ondergeschikt, oproepen om in de openbare vergadering te verschijnen tot het geven van inlichtingen.

4.Indien de schadebeoordelingscommissie een plaatsopneming wil houden, deelt zij het tijdstip van de plaatsopneming vooraf mede aan de verzoeker en aan het bevoegd gezag.

 

Artikel 35

De schadebeoordelingscommissie brengt een met redenen omkleed advies uit aan het bevoegd gezag. Zij zendt gelijktijdig een exemplaar daarvan aan de verzoeker.

 

Artikel 36

1.Het bevoegd gezag stelt de verzoeker in de gelegenheid schriftelijk of mondeling in tegenwoordigheid van de schadebeoordelingscommissie, zijn zienswijze omtrent het advies naar voren te brengen.

2.Het mondeling naar voren brengen van een zienswijze als bedoeld in het eerste lid geschiedt, indien de schadebeoordelingscommissie is ingesteld door gedeputeerde staten, ten overstaan van één of meer leden van gedeputeerde staten met inbegrip van de voorzitter.

3.De schadebeoordelingscommissie verstrekt het bevoegd gezag desgevraagd nadere toelichting op het advies en geeft desgevraagd haar mening omtrent de zienswijze daarover van de verzoeker.

 

Artikel 37

De kosten van de schadebeoordelingscommissie worden de verzoeker niet in rekening gebracht.

 

Artikel 38

1. Het bestuursorgaan beslist binnen acht weken of, indien een schadebeoordelingscommissie als bedoeld in artikel 32, eerste lid, is ingeschakeld, binnen zesentwintig weken na de ontvangst van het verzoek om schadevergoeding.

2. Het bestuursorgaan kan de beslissing eenmaal voor ten hoogste acht weken of, indien een schadebeoordelingscommissie als bedoeld in artikel 32, eerste lid, is ingeschakeld, zesentwintig weken verdagen. Van de verdaging wordt schriftelijk mededeling gedaan.

 

Hoofdstuk VII. Beroep en registratie

 

Artikel 39

1. Tegen een besluit op grond van deze wet kan een belanghebbende beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

2. De werking van een besluit als bedoeld in artikel 15, eerste lid, wordt geschorst totdat de beroepstermijn is verstreken of, indien beroep is ingesteld, op het beroep is beslist.

 

Artikel 39a [Vervallen per 01-01-2010]

 

Artikel 39b [Vervallen per 01-01-2010]

 

Artikel 39c [Vervallen per 01-01-2010]

 

Artikel 40 [Vervallen per 01-07-2007]

 

Hoofdstuk VIII. Procedure vergunningverlening

 

Artikel 41

1.In de aanvraag van de vergunningen, bedoeld in de artikelen 16 en 19d, wordt het belang van de aanvrager bij het verlenen van de vergunning gemotiveerd.

2.De ontvangst van de aanvraag wordt schriftelijk bevestigd.

 

Artikel 42

1.Op de de vergunningaanvraag wordt binnen dertien weken na de datum van ontvangst beslist.

2.Het orgaan dat tot verlening van de vergunning bevoegd is, kan de termijn eenmaal met dertien weken verlengen. Van zodanige verlenging wordt mededeling gedaan aan de aanvrager en aan burgemeester en wethouders als bedoeld in artikel 44.

3.Van een besluit tot verlening, wijziging of intrekking van de vergunningen als bedoeld in de artikelen 16 en 19d wordt door het orgaan dat tot verlening van de vergunning bevoegd is kennis gegeven in een of meer dag-, nieuws-, of huis-aan-huisbladen of op andere geschikte wijze. Volstaan kan worden met vermelding van de zakelijke inhoud.

 

Artikel 43

1.Aan een vergunning kunnen voorschriften worden verbonden.

Een vergunning kan onder beperkingen worden verleend. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen met betrekking tot deze voorschriften en beperkingen nadere regels worden gesteld.

2.Een vergunning kan worden ingetrokken of gewijzigd indien:

a. de houder van de vergunning handelt in strijd met de daaraan verbonden voorschriften of beperkingen;

b. de gegevens op grond waarvan de vergunning is verleend zodanig onjuist of onvolledig blijken te zijn dat, waren de juiste gegevens bekend geweest, een andere beslissing zou zijn genomen;

c. de vergunning in strijd met de wettelijke voorschriften is gegeven, of

d. de omstandigheden sedert het tijdstip waarop de vergunning is verleend zodanig zijn gewijzigd, dat deze niet, niet zonder beperkingen of voorwaarden of slechts onder andere beperkingen of voorwaarden zou zijn verleend indien deze omstandigheden op het tijdstip waarop de vergunning is verleend zouden hebben bestaan.

 

Artikel 44

1.Indien Onze Minister bevoegd is tot verlening van een vergunning zendt hij een afschrift van het verzoek om een vergunning en van de ontvangstbevestiging aan gedeputeerde staten van de provincies en burgemeester en wethouders van de gemeenten, waarin de handeling, waarvoor de vergunning wordt verlangd, zal geschieden.

2.Indien gedeputeerde staten bevoegd zijn tot verlening van een vergunning, zenden zij een afschrift van de stukken, bedoeld in het eerste lid, aan burgemeester en wethouders van de gemeenten, bedoeld in het eerste lid, alsmede aan Onze Minister.

3.Gedeputeerde staten en burgemeester en wethouders, onderscheidenlijk burgemeester en wethouders, kunnen binnen acht weken na de op de ontvangstbevestiging vermelde datum bij het tot verlening van de vergunning bevoegd orgaan hun zienswijze naar voren brengen.

 

Artikel 45

1.Onze Minister kan, indien dat in het algemeen belang geboden is, gedeputeerde staten een aanwijzing geven ter zake van het nemen van een besluit ten aanzien van een aanvraag om een vergunning als bedoeld in de artikelen 16 en 19d, een reeds verleende vergunning als bedoeld in de artikelen 16 en 19d en een beheerplan als bedoeld in de artikelen 17 en 19a.

2.Onze Minister pleegt over het voornemen tot het geven van een aanwijzing overleg met de betrokken gedeputeerde staten.

3.De aanwijzing wordt door gedeputeerde staten vermeld in de beschikking terzake waarvan zij is gegeven.

4.Indien gedeputeerde staten niet binnen de door Onze Minister bij de in het eerste lid bedoelde aanwijzing gestelde termijn aan de aanwijzing gevolg geven, dan wel daaraan niet naar behoren gevolg geven, neemt Onze Minister het besluit waarop de aanwijzing betrekking had.

 

Artikel 45a

1.Onze Minister kan, indien dat in het algemeen belang geboden is, het bevoegde bestuursorgaan een aanwijzing geven ter zake van een besluit als bedoeld in artikel 19j, eerste lid.

2.De bevoegdheid, bedoeld in het eerste lid, geldt niet ten aanzien van bestuursorganen die behoren tot de Staat.

3.Onze Minister pleegt over het voornemen tot het geven van een aanwijzing overleg met de betrokken bestuursorganen.

4.De betrokken bestuursorganen zijn verplicht een besluit als bedoeld in het eerste lid binnen zes maanden in overeenstemming te brengen met de aanwijzingen van Onze Minister.

 

Artikel 46 [Vervallen per 01-10-2005]

 

Hoofdstuk IX [Vervallen per 17-02-1999]

 

Artikel 47 [Vervallen per 17-02-1999]

 

Artikel 48 [Vervallen per 17-02-1999]

 

Hoofdstuk X. Toezicht

 

Artikel 49

1.Met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens deze wet zijn belast:

a. de bij besluit van Onze Minister aangewezen ambtenaren;

b. de door Onze Minister van Justitie op grond van artikel 17 van de Wet op de economische delicten met de opsporing van de bij of krachtens deze wet strafbaar gestelde feiten belaste ambtenaren, en

c. de bij besluit van gedeputeerde staten aangewezen ambtenaren.

2.Van een besluit als bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, wordt mededeling gedaan door plaatsing in de Staatscourant.

 

Artikel 50 [Vervallen per 01-10-2005]

 

Artikel 51 [Vervallen per 01-10-2005]

 

Artikel 52 [Vervallen per 01-10-2005]

 

Artikel 53 [Vervallen per 01-10-2005]

 

Artikel 54 [Vervallen per 01-10-2005]

 

Artikel 55 [Vervallen per 01-10-2005]

 

Artikel 56 [Vervallen per 01-10-2005]

 

Artikel 57

1. Onze Minister is bevoegd tot oplegging van een last onder bestuursdwang ter handhaving van het bij of krachtens deze wet bepaalde, ter zake van projecten en andere handelingen waarvoor hij ingevolge de artikelen 16 en 19d bevoegd is vergunning te verlenen, alsmede ter zake van de verplichtingen en instructies die hij krachtens artikel 19c bevoegd is op te leggen onderscheidenlijk te geven.

2. Gedeputeerde staten geven op verzoek van Onze Minister een beschikking tot oplegging van een last onder bestuursdwang indien de bij of krachtens deze wet gestelde verplichtingen niet worden nageleefd. Bij het verzoek kan Onze Minister bepalen waarbinnen aan zijn verzoek wordt voldaan.

3. Gedeputeerde staten zenden aan Onze Minister een exemplaar van de in het tweede lid bedoelde beschikking.

4. Gedeputeerde staten zijn bevoegd tot oplegging van een last onder bestuursdwang ter handhaving van het bij of krachtens deze wet bepaalde, ter zake van projecten en andere handelingen waarvoor zij ingevolge de artikelen 16 en 19d bevoegd zijn vergunning te verlenen.

 

Hoofdstuk XI. Slot- en overgangsbepalingen

 

Artikel 58

1.Bij het bestaan van een voornemen tot onteigening in het belang der natuurbescherming krachtens titel VIII der onteigeningswet kan Onze Minister met name genoemde handelingen verbieden, die schadelijk zijn voor het natuurschoon of voor de natuurwetenschappelijke betekenis van de bij de voorgenomen onteigening betrokken onroerende zaak.

2.Het verbod vervalt door de overgang van de eigendom van de zaak op de onteigenende partij alsmede indien het niet binnen twee jaar is gevolgd door een zodanige eigendomsovergang, tenzij alsdan een geding aanhangig is als bedoeld in hoofdstuk III van titel I der onteigeningswet. De termijn kan bij een in de Staatscourant te plaatsen koninklijk besluit met ten hoogste een jaar verlengd worden.

3.Onze Minister is te allen tijde bevoegd het verbod geheel of gedeeltelijk in te trekken dan wel daarvan ontheffing te verlenen.

4.Onze Minister maakt het verbod bekend in de Staatscourant.

 

Artikel 59 [Vervallen per 01-02-2009]

 

Artikel 60

Besluiten die zijn genomen op grond van de artikelen 7, 11, 12, 14, 18, 21, eerste lid, 28, eerste lid, 29, en 31 van de Natuurbeschermingswet gelden als besluiten die zijn genomen op grond van onderscheidenlijk de artikelen 10, 15, 16, 17, 31, 10, 49, eerste lid, 57 en 58 van deze wet.

 

Artikel 60a

1.Besluiten die zijn genomen op grond van artikel 12 van de Natuurbeschermingswet voor projecten of andere handelingen als bedoeld in artikel 19d, eerste lid, gelden ter zake van een Natura 2000-gebied als besluiten die zijn genomen op grond van artikel 19d.

2.Besluiten die zijn genomen op grond van artikel 16, tweede lid, onderdeel c, van de Natuurbeschermingswet gelden als besluiten die zijn genomen op grond van artikel 16 of artikel 19d van deze wet.

3.Het eerste en het tweede lid gelden niet met betrekking tot de toepassing van artikel 31 van deze wet.

4.De besluiten van Onze Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit houdende de aanwijzing van gebieden ter uitvoering van richtlijn 79/409/EEG gelden als besluiten als bedoeld in artikel 10a.

5.Voor zover een beschermd natuurmonument als bedoeld in artikel 10 geheel of gedeeltelijk deel uitmaakt van een gebied als bedoeld in het vierde lid, vervalt in afwijking van artikel 15a, tweede lid, een besluit houdende de aanwijzing van dat beschermde natuurmonument geheel of gedeeltelijk met ingang van 1 oktober 2005. Artikel 15a, derde lid, is van overeenkomstige toepassing.

6.Op besluiten, waarbij artikel 6 van de richtlijn 92/43/EEG aan de orde is, op voor 1 oktober 2005 ingediende aanvragen om vergunning of ontheffing en ingediende verzoeken om toestemming anderszins blijft deze wet buiten toepassing, totdat de bezwaar- of beroepstermijn is verstreken dan wel, indien beroep is ingesteld, onherroepelijk op het beroep is beslist.

7.Een beheerplan dat is vastgesteld op grond van artikel 14 van de Natuurbeschermingswet, behoudt zijn gelding gedurende de periode waarvoor het plan is aangegaan.

8.Een beheerplan als bedoeld in artikel 19a voor een gebied dat ter uitvoering van richtlijn 79/409/EEG voor 1 oktober 2005 is aangewezen, wordt uiterlijk drie jaar na het vaststellen van de instandhoudingsdoelstelling voor het gebied voor het eerst vastgesteld.

9.Besluiten die zijn genomen op basis van artikel 19d, derde lid, (oud) gelden als besluiten die zijn genomen op basis van artikel 19d, vierde lid (nieuw).

 

Artikel 61

Gebieden die voor de inwerkingtreding van deze wet door Onze Minister zijn aangewezen ter uitvoering van verdragen of andere internationale verplichtingen met betrekking tot natuur- en landschapsbehoud, gelden als aangewezen gebieden op grond van artikel 27 van deze wet.

 

Artikel 62

1.Besluiten, die voor de datum van inwerkingtreding van deze wet zijn genomen op grond van artikel 8, eerste lid, van de Natuurbeschermingswet worden afgehandeld overeenkomstig artikel 9 van genoemde wet.

2.Besluiten die voor de datum van inwerkingtreding van deze wet zijn genomen op grond van artikel 8, tweede lid, van de Natuurbeschermingswet gelden als besluiten die zijn genomen op grond van artikel 12, eerste lid, van deze wet, met dien verstande dat zodanige besluiten worden afgehandeld overeenkomstig artikel 9 van de Natuurbeschermingswet.

3.Besluiten als bedoeld in artikel 10, die met inachtneming van het eerste lid worden genomen vermelden de in artikel 16, vierde lid, van deze wet bedoelde handelingen.

 

Artikel 63

1.Ten aanzien van het nemen van besluiten omtrent voor de datum van inwerkingtreding van deze wet ingediende verzoeken om vergunning of ontheffing als bedoeld in artikel 12 onderscheidenlijk 16, tweede lid, onderdeel c, van de Natuurbeschermingswet, blijft genoemde wet van toepassing totdat de bezwaar- of beroepstermijn is verstreken dan wel, indien beroep is ingesteld, onherroepelijk op het beroep is beslist.

2.Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing op voor de datum van inwerkingtreding van deze wet ingediende verzoeken om vergunning voor het verrichten van handelingen in een staatsnatuurmonument als bedoeld in artikel 21, eerste lid, van de Natuurbeschermingswet.

 

Artikel 64

Ten aanzien van de mogelijkheid om bezwaar te maken of beroep in te stellen tegen een besluit dat voor de datum van inwerkingtreding van deze wet is bekendgemaakt, alsmede ten aanzien van de behandeling van bezwaar of beroep dat voor de datum van inwerkingtreding van deze wet is gemaakt onderscheidenlijk is ingesteld, blijft de Natuurbeschermingswet van toepassing.

 

Artikel 65

Ten aanzien van beschermde natuurmonumenten en staatsnatuurmonumenten, als bedoeld in artikel 7, eerste lid, respectievelijk artikel 21, eerste lid, van de Natuurbeschermingswet, die voor de datum van inwerkingtreding van deze wet als zodanig zijn aangewezen op grond van de Natuurbeschermingswet, geldt in afwijking van artikel 16, vierde lid, van deze wet het verbod van artikel 16, eerste lid, van deze wet voor in dat artikellid bedoelde schadelijke handelingen die buiten het beschermde natuurmonument of staatsnatuurmonument worden verricht zonder dat deze handelingen vermeld zijn in het besluit tot aanwijzing.

 

Artikel 66

De eigenaar en gebruiker zijn verplicht de kentekenen die op grond van artikel 15 van de Natuurbeschermingswet in een beschermd natuurmonument zijn aangebracht na intrekking van die wet te gedogen.

 

Artikel 67

Ten aanzien van voor de datum van inwerkingtreding van deze wet genomen besluiten tot toepassing van bestuursdwang en de daaruit voortvloeiende uitvoering van werken als bedoeld in artikel 29, eerste en tweede lid, van de Natuurbeschermingswet, blijft genoemde wet van toepassing.

 

Artikel 68

[Wijzigt de Wet op de economische delicten]

 

Artikel 68a

Onze Minister zendt binnen drie jaar na de inwerkingtreding van de wet van 20 januari 2005 tot wijziging van de Natuurbeschermingswet 1998 in verband met Europeesrechtelijke verplichtingen (Stb. 2005, 195) aan de Staten-Generaal een verslag over de doeltreffendheid en effecten van deze wet.

 

Artikel 69

[Wijzigt de Wet op de waterhuishouding]

 

Artikel 70

[Wijzigt de Wet milieubeheer]

 

Artikel 71

1.[Wijzigt de Natuurbeschermingswet]

2.De Natuurbeschermingswet wordt ingetrokken.

 

Artikel 72

[Wijzigt deze wet]

 

Artikel 73

[Wijzigt de Algemene wet bestuursrecht]

 

Artikel 73a

1.De Wet deelneming Grevelingen wordt ingetrokken.

2.Het Natuur- en Recreatieschap De Grevelingen ontvangt ter zake van de uittreding van het Rijk uit de gemeenschappelijke regeling Natuur- en Recreatiegebied De Grevelingen een vergoeding van het Rijk van 9,75 miljoen euro, onder de voorwaarde dat de vergoeding door het Natuur- en Recreatieschap De Grevelingen of diens rechtsopvolger wordt besteed aan de behartiging van de belangen van natuur, landschap en openluchtrecreatie in De Grevelingen.

3.Het Natuur- en Recreatieschap De Grevelingen of diens rechtsopvolger legt aan Onze Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit verantwoording af over de besteding van de afkoopsom en overlegt daartoe jaarlijks aan Onze Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit een jaarrekening tezamen met een accountantsverklaring. De eerste volzin is van toepassing tot 1 januari 2030 of, als dit eerder is, tot 1 januari van het jaar volgend op het jaar waarin het Natuur- en Recreatieschap De Grevelingen of diens rechtsopvolger is opgehouden te bestaan.

4.Ingeval niet is voldaan aan de voorwaarde, bedoeld in het tweede lid, of aan de verplichtingen, bedoeld in het derde lid, eerste volzin, kan Onze Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit de vergoeding geheel of gedeeltelijk terugvorderen.

 

Artikel 74

Deze wet treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip, dat voor de verschillende artikelen of onderdelen daarvan verschillend kan worden vastgesteld.

 

Artikel 75

Deze wet wordt aangehaald als: Natuurbeschermingswet, met vermelding van het jaartal van het Staatsblad waarin zij zal worden geplaatst.

 

 

     Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.

 

Gegeven te 's-Gravenhage, 25 mei 1998

 

BEATRIX

 

De Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij,
J.J. van Aartsen

 

Uitgegeven de veertiende juli 1998
De Minister van Justitie,
W. Sorgdrager